Deze bijdrage deelde ik onder de nieuwsbriefontvangers die op de hoogte willen zijn van mijn schrijfupdates. Hier kun je ook ontvanger worden!
Conflict door een 'patatje vrede'
De Kollumer zoete erwt was bijna uitgestorven, ware het niet dat een kloeke zadenpionier van de Oudebildtdijk het plantje een toekomst gaf. Hij had slechts zes erwten, die hij in 2006 plantte. In 2026 is het gewas gered van de vergetelheid.
Omdat we van de Kollumer zoete erwt onze eigenwijze saté maken voor een gerecht met nasi (naakte haver), is een patatje oorlog snel gemaakt. De mandjes lokale patat zijn populair bij The Friezinn. Het is eenvoudig om – naast een schep uitjes – er ook satésaus bij te doen. Nogmaals: satésaus, niet gemaakt van pinda’s, anders was het pindasaus. En laten we, vanwege het lokale karakter van de uien, de aardappelen en de mayonaise – een combinatie van Franeker Levo en Amelander mosterd – de snack een patatje vrede noemen.
Op een drukke en zonnige zondagmiddag weet bezoeker N. dat we het mandje patat kunnen upgraden, zonder dat deze optie op de kaart staat.
‘Kun je dat regelen?’ vraagt ze aan mijn jongere collega.
‘Douwe kan dat?’
‘Natuurlijk.’
Binnen vijf minuten staat er een mandje patatje vrede op het terrastafeltje. Het mandje en de uitleg die ik geef bij het brengen van het comfortfood leveren nieuwsgierige blikken op. Nog maar net terug in de keuken hoor ik mijn naam weer.
‘Douwe, terras vier wil ook twee keer patatje vrede!’
‘Dat kan: maak er maar een bon van,’ zeg ik.
Voordat ik het weet, heeft keukenhulp R. vliegensvlug de patat vrede klaar. De bel klinkt, zodat de bediening weet dat de bestelling gereed is, en twee mandjes belanden bij twee dames op terras vier.
Nog sneller dan de patat klaar was, staat het jonge lid van de bediening weer bij mij in de keuken. ‘Douwe, ze hebben een klacht. Het ziet er niet hetzelfde uit.’
Als een raket schieten gedachten omhoog. Ik denk na over wat het probleem kan zijn. En ik weet het. Collega R., die door de pauze van zijn twee collega’s alleen in de keuken staat, heeft zijn best gedaan om snel te werken en de laatste restjes saté in een tipje (horecaterm voor een bakje) gedaan en meegegeven.
‘Er was niets meer,’ zegt R. als ik hem vraag hoe hij de patat heeft meegegeven. Dat klopt: ik was net bezig met het maken van nieuwe satésaus, nadat we een pan gewelde erwten hadden gekookt.
‘Ik loop wel even,’ zeg ik tegen R. en mijn jonge collega.
Op het tafeltje van de dames staan twee flesjes Radler 0,0% en twee goed gevulde mandjes, met een half gevuld tipje satésaus en rode gesnipperde ui.
‘Ik zie het al: jullie hebben rode in plaats van gele ui gekregen,’ zeg ik.
De twee dames zijn wat ouder; laat ik zeggen dat ze tegen hun pensioen aan zitten, gezien het grijswitte haar dat ze allebei hebben.
‘Het is meer de hoeveelheid satésaus,’ zegt de linker vrouw assertief.
‘Ik zie het,’ zeg ik. ‘Ik breng zo nieuwe, ik ben er net mee bezig.’
En dat klopt. De Magimix staat klaar om gefruite knoflook, piment en peper te mengen met de gekookte erwten. Ik pureer en voeg een beetje sojasaus toe voor het zout. Het mag nog wat structuur houden, denk ik.
‘Douwe, ze zijn echt niet blij,’ hoor ik achter me wanneer de keukendeur weer opengaat.
‘Wat is het probleem dan?’ vraag ik.
‘Ze hebben het al bijna op,’ zegt mijn zestienjarige collega.
‘Goed, zeg maar dat ze het over twee minuten hebben en dat ik het zelf kom brengen.’
Ik houd mijn toon rustig en respectvol. Het is een warme middag en het is druk door de meivakantie. De kinderen – want dat zijn het – werken zich uit de naad. Ik ben trots op ze. Dit is zo’n dag waarop het terras van elf uur ’s ochtends tot sluitingstijd vol zit. En het is nog niet eens sluitingstijd. Ze hebben amper pauze gehad. Even denk ik aan de groep op terras één, die al anderhalf uur geniet van koude Amstel en nog niet van plan is te vertrekken.
Terwijl ik verse gember rasp en meng en daarmee de eigenwijze saté afrond, weet ik als geoefende keukenmedewerker: nog één minuut voordat mijn belofte vervalt. De oudere keukenhulpen komen binnen na hun verlate pauze. Ik steek een lepel in de erwtenprak wanneer opnieuw de deur opengaat.
‘Ze zijn boos,’ zegt de collega van zestien.
Als door een wesp gestoken wacht ik niet langer. Ik stap met ferme passen het terras op. In een flits hoor ik mezelf denken: pas toch op. Maar het is al te laat. Ik sta bij terras vier, waar de assertieve dame net een patatje in haar mond steekt. Haar mandje is vrijwel leeg.
‘Weet dat dit een gerecht is dat niet op de kaart staat en waar we in de keuken op dit moment hard voor werken om het mogelijk te maken. Het is een vers product en dat vraagt aandacht. En er wordt hier ontzettend hard gewerkt, omdat het vandaag zo druk is…’
‘Maar dat is mijn probleem niet,’ reageert de vrouw direct. Ik kijk de andere dame aan; die slaat haar ogen neer.
‘Er is net gezegd dat het eraan komt,’ zeg ik, me bewust van de andere gasten die meeluisteren.
‘Ik heb het al bijna op,’ is haar repliek.
‘Kijk,’ zeg ik. ‘Als ik uitga van het principe dat de klant koning is, dan had ik nu niets gezegd. Maar ik ga uit van gelijkwaardigheid. Daarom reageer ik zoals ik doe. En nu ga ik de satésaus halen.’
Onderweg terug naar de keuken krijg ik een knipoog van de Amsteldrinkers op terras één. ‘Een patatje vrede dat tot oorlog leidt… laten we afrekenen.’ Het is dame N. die het concept introduceerde. Ze lacht. ‘Ze haalde bij mij ook het bloed onder de nagels vandaan.’
N.B.
Die kloeke pionier bestaat echt: Piet Hoekstra, voor wie de man en zijn proefvelden kent. Een held, als je het mij vraagt.
Reacties
Een reactie posten